Herhaling is nooit slecht: het helpt ons te kaderen, te overwegen en onverwachte combinaties te maken. Om opnieuw met de deur in huis te vallen: de werkelijkheid zoals die aan ons verschijnt, is een door ons vormgegeven (gecreëerde) abstractie, waarover wij zgn. ware uitspraken kunnen doen, als uitkomst van onze conventionele afspraken.
Voor het kennen, dus ons kennen, is er onderscheid tussen het ware of het zuivere (eerste domein) en het onzuivere of onvolledige (tweede domein). Deze twee kennisdomeinen hebben geen betrekking op twee fysieke of causaal-gerelateerde domeinen; beide domeinen hebben geen ontologische relatie tot elkaar. Alleen voor ons (onzuivere subjecten) is er een relatie, een onderscheid.
Over de aard van het eerste domein kunnen wij eenvoudig niets met zekerheid zeggen, noch door middel van onze waarneming, noch via onze rede; ook niet via de intuïtie. We kunnen, zoals gezegd, de waarheid nooit vatten.
De methode van de analogie helpt ons een framework te bouwen dat ons houvast geeft; dit is echter alsof men een steiger bouwt om een tsunami. Het helpt enigszins: we voelen ons veiliger, maar verdrinken evengoed als we de tsunami willen leren kennen.
Wat dan te denken over de begrippen benadering en vertrouwen, waar ik eerder over gesproken heb? Wij zijn, ongevraagd en ongelukkig, in een wereld geworpen die wij niet kunnen kennen en tot in het einde abstraheren. Wel hebben we een ‘tool’ gekregen, de rede, de heilige graal, die ons helpt om steigers te bouwen. Zonder dergelijke steigers, zonder hiërarchie, zonder zin, ziet alles er somber uit.
Het grijze gebied waar wij filosofen ons in begeven, leidt juist tot het spelen met de tool van de rede: het kunnen denken en omdenken, het anders kunnen denken. We kunnen de realiteit niet vatten, maar haar wel anders construeren. Jammer is wel dat de filosofie eenrichtingsverkeer is: als je je eenmaal in het grijze gebied begeeft, kom je er niet meer uit. Je spreekt over waarheid, die niet te vinden is; over domeinen, die een illusie zijn qua ontologie, maar toch noodzakelijk voor ons kennen.
Vanwaar deze negatieve stellingen, deze teruggekeerde destructie? Was niet het doel om na de subjectivering, het begrenzen van kennis juist een vorm van objectiviteit vast te stellen? Deze reeks leek wel die kant op te gaan. Het was zeker niet mijn bedoeling de positieve punten uit eerdere blogs ongedaan te maken; veeleer is het om mij scherp te houden en alle stellingen waar nodig bij te schaven. Om een verwijzing te maken naar Schopenhauer: hij geeft met recht aan dat het onderscheid tussen noodzakelijk, werkelijk en mogelijk slechts een abstract onderscheid is, dat voor de realiteit niet geldt. Net zoals in mijn eerste domein dat onderscheid verdwenen is.
Waar ik echter de teugels aantrek, is bij het onderscheid tussen verstand en rede, tussen voorstelling en begrip. Geen van deze zaken heeft een voorkeurspositie in het licht van de waarheid; allemaal zijn ze ontoereikend.
Je maakt je binnen de filosofie nooit populair met het introduceren van een metafysische entiteit, maar zo’n entiteit hebben we al lang en breed behandeld. De realiteit is een groot ens metaphysicum, waar niet aan valt te ontkomen. Dat gaan we dus ook niet proberen: in plaats daarvan gaan we vrolijk verder met het onderzoeken van de eenheid van die entiteit.